home > thema's > hygiŽne > waterleiding > schriftelijke bronnen terug
<h1>Versch drinkwater voor de hoofdstad</h1>
help toelichting hulpvragen trefwoorden
In 1845 kwam C.D. Vaillant, die eerder Brade met zijn Vecht- en Lekwaterleidingplannen had geholpen, met een weer heel ander plan, door Van Maurik als tiende genoemd: een waterleiding door kunstmatige ondergrondse beken van de duinen bij Bloemendaal (de Brouwerskolk) naar Amsterdam. Zijn nader toegelichte voorstel werd op 1 mei 1846 door de minister van Binnenlandse Zaken ontvangen en op 15 juli 1847 goedgekeurd. Op 20 april 1849 gaven B&W van Amsterdam hem toestemming buizen in Amsterdamse grond te leggen, langs de Haarlemmerweg tot aan de Willemspoort. en 'naarmate van de behoefte' verder de stad in. Die besluiten waren veel belangrijker dan Van Maurik in 1849 voorzag. Begin 1850 schreef Van Maurik in zijn jaarverslag over 1850 dat Vaillants plan, waarover al maanden niets vernomen was, 'als vervallen kan worden beschouwd'. Dat verbaasde hem niet, want deskundigen hadden toch al twijfel of het 'kwantum (= de hoeveelheid water in de duinen bij Overveen) wel voldoende zoude zijn', en de scheikundigen Mastenbroek, Deeleman en Van Doorn hadden het duinwater ter plekke 'brak' genoemd.
(...)
Van Duinwater-Maatschappij tot Gemeentewaterleidingen
Na november 1850 waren er nog maar twee concurrerende plannen: dat van de groep rond J.P. Taunay, die de ideeën van Brade ondersteunde, en dat van C.D. Vaillant en de zijnen. De eersten, die aanvankelijk vier opties presenteerden, legden inmiddels hun prioriteit bij een waterleiding vanuit de Rijn; zij stichtten de Amsterdamsche Waterleiding-Maatschappij. die zich sinds december 1851 Koninklijke mocht noemen. Zoals zovelen vóór hen, slaagden Taunay c.s. er niet in de financiering rond te krijgen. In 1853 werd de maatschappij opgeheven.
Vaillant en zijn sympathisanten stichtten (informeel in januari 1850 en formeel in juli 1851) de Duinwater-Maatschappij, die de aan Vaillant verleende concessies overnam. Voorzitter van de maatschappij was de bekende literator mr. Jacob van Lennep. Hij gebruikte zijn schrijf- en redenaarstalent om zijn landgenoten te overreden hun bijdrage te leveren aan de 2,5 miljoen guldens die voor de uitvoering nodig waren. Veel succes had hij niet. In maart 1851 lieten de initiatiefnemers in een advertentie weten dat ze de strijd opgaven. Op de valreep brachten Engelse financiers redding. (...)
In november 1851 kon met het graafwerk worden begonnen. Op 6 juni 1853 spoot voor het eerst water uit een fontein 'buiten de Willemspoort' (Haarlemmerpoort) ó ongeveer waar het standbeeld van Domela Nieuwenhuis staat. En op 12 december van dat jaar, 's morgens om acht uur, konden Amsterdammers daar voor het eerst drinkwater halen, voor een cent per emmer. Twee uur later waren er al duizend emmers gevuld.
In april 1854 begon de Duinwater-Maatschappij met de levering van water aan particulieren, door leidingbuizen vanaf de Willemspoort naar de woningen van 'abonnees'. Voor massaal gebruik werden in 1854 en 1855 standpijpen geplaatst op de Noordermarkt, de Herenmarkt, de Lijnbaansgracht, de Dam, de Nieuwmarkt, het Muiderplein, de Schippersgracht, de Stromarkt, de Botermarkt, het Amstelveld, de Zwanenburgerstraat, de Joden Houttuinen, de Egelantiersstraat, de Bloemstraat en de Laurierstraat. In 1856 waren 1397 woningen, 40 fabrieken en 30 openbare instellingen op de waterleiding geabonneerd; in 1866 waren er 8505 abonnees en 56 tappunten.
In de loop der jaren nam de kritiek op de Duinwater-Maatschappij toe. De tarieven waren te hoog, omdat de commissarissen er zoveel mogelijk aan wilden verdienen; de watertoevoer stagneerde regelmatig en de capaciteit van het bedrijf was niet meer toereikend voor het snel groeiende aantal inwoners. In de gemeentepolitiek was intussen een nieuw slag liberalen aan het bewind gekomen, die niet langer afkerig waren van overheidsingrijpen. Met ingang van 1 mei 1896 nam de gemeente de Duinwater- Maatschappij over. Sindsdien heet het bedrijf Gemeentewaterleidingen.

Duinwater en ander water Onder druk van de gemeente had de Duinwater-Maatschappij al in 1888 een tweede waterleiding aangelegd, vanuit de Vecht. Dat water werd echter niet zuiver genoeg geacht om te drinken: het diende dus alleen voor schrobben en industrieel gebruik. Pas begin jaren dertig, nadat de zuivering was verbeterd en de Vechtwaterleiding was omgevormd tot Plassenwaterleiding, werden beide systemen samengevoegd. Aan de gescheiden leidingnetten herinneren hier en daar nog putdeksels met de opschriften 'Duin' en 'Vecht'.

Titel:Versch drinkwater voor de hoofdstad, p. 36-39
Auteur:Peter-Paul de Baar
Herkomst:uitgeverij Gemeentewaterleidingen Amsterdam
Datering:1993
Inventarisnummer:Amsterdam Museum/Stadsarchief Amsterdam - R2502
Je aantekeningenPrinten
uitleg verbergen
  • klik op de knop met de + om de toelichting te lezen

  • klik op de knop met het ? om hulpvragen te lezen

  • klik op de knop met a-z om trefwoorden op te roepen waarmee je naar andere bronnen kunt

  • kijk in het gele vak onderin voor de basisgegevens

  • klik op de knop met de pen rechtsonder om een notitie te plaatsen

  • klik op de knop met de printer rechtsonder om de afbeelding en gegevens te printen

transcriptie verbergen

trefwoorden verbergen

waterleiding
watervoorziening
duinwater
rivierwater
drinkwater
Vaillant
Haarlemmerpoort

hulpvragen verbergen

  • Kwamen de initiatieven om de drinkwatervoorziening te verbeteren in de tijd van Van Maurik van particuliere zijde of van de overheid?

  • Waarom beschouwt Van Maurik in zijn rapport de plannen van Vaillant als vervallen?

  • Volgens de bron zijn er eind 1850 twee plannen over. Wat geeft uiteindelijk de doorslag voor het al dan niet realiseren van deze plannen?

  • Op welke twee manieren konden Amsterdammers aan drinkwater uit de nieuwe waterleiding komen?

  • Waarom kreeg de Duinwater-Maatschappij later steeds meer kritiek?

toelichting verbergen

Deze fragmenten komen uit een bijzonder boek.
De basis wordt gevormd door een rapport uit 1849 over allerlei methodes om de drinkwatervoorziening in de hoofdstad te verbeteren. Het dikke rapport was met de hand geschreven door Jan van Maurik, directeur van Stads-Waterwerken en hij stuurde het aan de wethouder van Publieke Werken. De titel van het rapport luidt: 'Concept Rapport over de onderscheidene middelen welke de Stad Amsterdam van Versch drinkwater zullen kunnen voorzien.'

Het boek bevat niet alleen fragmenten uit het rapport van Van Maurik; ze zijn steeds voorzien van aantekeningen van Peter-Paul de Baar, die door de ogen van een Amsterdammer in 1993 terugkijkt op de tekst uit 1849.

Van Maurik bespreekt in zijn rapport vier soorten methoden om aan drinkwater te komen:
1) water halen met schuiten of treinwagons
2) waterreservoirs
3) buizen en kanalen
4) putten en fonteinen
Zelf gelooft Van Maurik het meest in de putboringen.
De Baar voorziet elke methode van aantekeningen, waarin hij beschrijft wat er van de plannen is terechtgekomen en hoe daar in 1993 tegenaan gekeken wordt.

De gekozen fragmenten komen uit het hoofdstuk over 'Buizen en kanalen'. Het zijn de aantekeningen van De Baar bij de opsomming van Van Maurik van maar liefst 14 plannen voor waterleidingstelsels, die vanaf 1839 zijn ingediend. Daaronder zijn plannen van ene Brade en van ene Vaillant.