home > thema's > onderwijs > vorming > schriftelijke bronnen terug
<h1>Onderwijs doelstelling</h1>
help toelichting hulpvragen trefwoorden
Een belangrijk doel van het onderwijs in de negentiende eeuw was volksverheffing. Onderwijs moest mensen vormen tot nuttige leden van de maatschappij, moest hen weerhouden van alcoholisme en daarmee samenhangend pauperisme en misdadigheid. Het gezegde dat een stuiver besteed aan onderwijs een gulden uitspaarde aan de gevangenis is kenmerkend voor deze doelstelling.
Dit betekende echter niet dat het onderwijs de sociale mobiliteit moest bevorderen. Al het onderwijs diende standsonderwijs te zijn, dat wil zeggen dat ieder dat onderwijs moest ontvangen dat het hem of haar mogelijk maakte te functioneren binnen de stand waartoe hij of zij behoorde. De school was dus geen middel tot opklimming op de maatschappelijke ladder, maar diende wel als middel tegen (afdalen of blijven steken in) pauperisme.
Onderwijs en opvoeding waren onlosmakelijk aan elkaar verbonden. De totale taak behoorde gelijkelijk verdeeld te zijn over gezin, kerk, maatschappij en school. Voor de volkskinderen echter was aanvulling of zelfs vervanging van een tekort schietende gezinsopvoeding door de school vaker nodig dan in de hogere kringen. Ten aanzien van de volkskinderen behoorde het observeren en begeleiden van de leerlingen buiten het schoolgebouw, het voorkomen van straatschendingen, het bezoeken van de ouderlijke woning en het adviseren bij de huiselijke opvoeding, mede tot de taak van de onderwijzer.
Door de grote bemoeienis van de school bij de opvoeding van kinderen uit vooral de lagere standen, kwam de stelling, dat men mensen in hun stand moest laten, toch danig aan het wankelen. Halverwege de negentiende eeuw waren er steeds meer mensen, vooral liberalen, die het onderwijs wilden aangrijpen als middel tot verticale sociale mobiliteit. Mensen moesten door middel van een goede opleiding in handel en nijverheid kunnen opklimmen.

Titel:´Het socioculturele leven in Nederland 1844-1875´, in: Algemene geschiedenis der Nederlanden. Nieuwste tijd. Deel 12, 216-219 en 225-226.
Auteur:J.W.G. Jansing en L. Dasberg
Herkomst:Fibula van Dishoeck, Bussum
Datering:1977
Inventarisnummer:Amsterdam Museum D.a/Alge
Je aantekeningenPrinten
uitleg verbergen
  • klik op de knop met de + om de toelichting te lezen

  • klik op de knop met het ? om hulpvragen te lezen

  • klik op de knop met a-z om trefwoorden op te roepen waarmee je naar andere bronnen kunt

  • kijk in het gele vak onderin voor de basisgegevens

  • klik op de knop met de pen rechtsonder om een notitie te plaatsen

  • klik op de knop met de printer rechtsonder om de afbeelding en gegevens te printen

transcriptie verbergen

trefwoorden verbergen

Volksverheffing
Standen
Sociale mobiliteit

hulpvragen verbergen

  • Wat voor informatie geeft de bron over het belang van volksverheffing?

  • Welke informatie geeft de bron over de taak van het onderwijs in de volksverheffting?

  • Voor wie was de volksverheffing bedoeld?

  • Geeft de bron informatie over veranderingen in het doel van het onderwijs?

toelichting verbergen

De bron is afkomstig uit deel twaalf van de serie ‘Algemene geschiedenis der Nederlanden’, een zeer uitgebreidt standaardwerk over de geschiedenis van de Lage Landen vanaf de Prehistorie tot nu. In elk van de vijftien delen staan behalve hoofdstukken over de ontwikkeling van het landschap en bewoning en conjuncturele ontwikkelingen ook hoofdstukken over de sociale, economische, politieke en socioculturele geschiedenis van de verschillende periodes die behandeld worden. De bron is een korte bewerking van het hoofdstuk over het onderwijs in Nederland in de periode 1844-1875.