home > thema's > wonen > krotten > schriftelijke bronnen terug
<h1>Begin van de stadsuitbreiding in Amsterdam</h1>
help toelichting hulpvragen trefwoorden
Amsterdam omstreeks 1860

"In het algemeen mag de toestand der woningen voor de arbeidende of mingegoede klasse te Amsterdam hoogst ongunstig genoemd worden en laat hare inrigting veel te wenschen over. Die woningen zijn meestal opeengehoopt langs smalle grachten, waaruit des zomers ongezonde en walgelijke uitwasemingen oprijzen, of langs naauwe, morsige straten en steegjes of gangen, die soms nog geene el breedte hebben, waar alzoo weinig gelegenheid tot doorstrooming van frissche lucht bestaat. (...)
   De woningen zelve bestaan in vochtige kelders, bekrompen zolders, of slechte vertrekken, op naauwe steile trappen uitkomende, met rookende schoorsteenen, slecht sluitende deuren, soms halfbeglaasde ramen; waarvan de muren zeldzaam gewit en de houtwerken bijna nimmer geschilderd worden; waaran geene herstellingen worden gedaan dan alleen zooveel noodig is om de gebouwen voor algeheelen ondergang te bewaren. Men kan in één woord zeggen dat in het algemeen, en behoudens enkele uitzonderingen, die woningen ongeschikt voor het verblijf van menschen zijn".
   Zo was volgens de architect Isaac Warnsinck in 1853 het grootste gedeelte van de ambachtslieden, arbeiders, werklozen en paupers in Amsterdam gehuisvest. De huren waren hoog, fl 1, ó tot fl 1, 50 per week voor de slechtste huisjes, 40 tot 80 centen per week voor een kamertje. Het loon van een arbeider kwam in deze periode zelden boven de fl 1, 20 per dag. Bedeelden, welke groep tussen 1850 en 1860 in de wintermaanden ruim 30 % van de stadsbevolking uitmaakte, hadden nog minder inkomsten.
   In 1864 werd er becijferd dat er in Amsterdam 10.748 gezinnen in te kleine en ongezonde woningen langs sloppen, stegen en paden waren gevestigd. Daarenboven woonden er nog eens 5.104 gezinnen in kelders. Vele kelderwoningen hadden permanent wateroverlast. Vrijwel alle goedkope woningen waren verstoken van riolen voor de afvoer van faecaliën.
   Er heersten in de volksbuurten, zoals de Jordaan en de eilanden Marken en Uilenburg, onbeschrijfelijke wantoestanden op het terrein van de hygiëne.

Titel:Samuel Sarphati en het begin van de stadsuitbreiding in Amsterdam, in: Wonen in het verleden, 17e-20e eeuw, p. 116
Auteur:A. van der Valk (eindredactie hele boek : P.M.M. Klep e.a.)
Herkomst:Nederlands Economisch Historisch Archief
Datering:1987
Inventarisnummer:Amsterdam Museum/Stadsarchief Amsterdam - AA2884
Je aantekeningenPrinten
uitleg verbergen
  • klik op de knop met de + om de toelichting te lezen

  • klik op de knop met het ? om hulpvragen te lezen

  • klik op de knop met a-z om trefwoorden op te roepen waarmee je naar andere bronnen kunt

  • kijk in het gele vak onderin voor de basisgegevens

  • klik op de knop met de pen rechtsonder om een notitie te plaatsen

  • klik op de knop met de printer rechtsonder om de afbeelding en gegevens te printen

transcriptie verbergen

trefwoorden verbergen

krot
huurprijs
huurwoning
loon
kelderwoning
zolderwoning
uitwerpselen (menselijke)
riolering
hygiŽne

hulpvragen verbergen

  • Isaac Warnsinck noemt de woontoestand van de arbeidende klasse 'hoogst ongunstig'. Wat is er allemaal ongunstig aan volgens dit fragment?

toelichting verbergen

Dit fragment komt uit een boek vol artikelen over de geschiedenis van de woningbouw in Nederland. In zijn artikel beschrijft A. van der Valk de situatie in Amsterdam in de tweede helft van de 19de eeuw.