home > thema's > wonen > krotten > schriftelijke bronnen terug
<h1>125 jaar sociale woningbouw in Amsterdam</h1>
help toelichting hulpvragen trefwoorden
Behoort verbetering niet meer tot de mogelijkheden dan schroomt Tellegen niet om woningen uit de voorraad te verwijderen. Het Bouw- en Woningtoezicht werkt in deze zeer nauw samen met de gezondheidscommissie. De commissie draagt de af te keuren woningen voor, Bouwtoezicht regelt de verdere afdoening van de zaak, Als norm wordt aangehouden dat in de eerste plaats de meest ongunstige woningtypen opgeruimd moeten worden: kelderwoningen, zolder- en vlieringwoningen en de aan drie zijden ingebouwde (zogenoemde blinde) eenkamerwoningen.

In de periode 1904-1915 worden niet minder dan 3739 woningen onbewoonbaar verklaard. De eerste onbewoonbaarverklaring op grond van de woningwet vindt in 1904 plaats en betreft de percelen Prinsengracht 423 tot en met 431.

Van 1907 tot 1914 is F.M. Wibaut (SDAP) lid van de gezondheidscommissie. Dit werk is van grote invloed op zijn latere wethouderschap. In deze commissie komt hij tot de overtuiging dat naast stelselmatige zorg voor de woningvoorraad, verhuur van woningen beneden de kostprijs aan gezinnen, die op grond van hun inkomen niet in staat zijn de volle huur te betalen, een onmisbaar element vormt in de verbetering van de volkshuisvesting. Overigens is dit principe niet nieuw. Wibaut baseert zich hier op de woningwet, welke de mogelijkheid van een bijdrage in de huur kent. Deze overtuiging heeft richting gegeven aan het gehele verdere politieke optreden van Wibaut en is mede de grondslag voor het voorstel van Wollring (SDAP) tot de bouw van 2000 woningen, welk voorstel in 1915 zou leiden tot de instelling van de Woningdienst.
De bewoners van de krottenwijken nemen het ijveren van de gezondheidscommissie voor goede woonomstandigheden niet in dank af. Begrijpelijk, want vaak wordt de oude woning onbewoonbaar verklaard zonder dat vervangende woonruimte wordt aangeboden. En omdat de bewoners de hogere huren van de nieuwe woningen niet kunnen opbrengen, worden zij gedwongen van krot naar krot te verhuizen, zo men niet terecht komt bij Toevlucht voor Onbehuisden.
Wibaut doet in zijn memoires verslag van zijn werk in de commissie.

De bewoners jammerden tegen de commissieleden: 'Gut, mijnheer, laat ons toch wonen. Ik ben vierenzestig. Ben hier in deze kelder geboren. Mijn man is zesenzestig en vindt het ook best. Nooit een dokter. Als we lucht willen hebben gaan we op straat. Twaalf kinderen hier groot gebracht. Het slapen te regelen was een hele toer. Maar het ging best. Want ik was als de duvel zo streng. Mijn man hoefde er nooit aan te pas te komen. Ze beefden van angst als ze hebben moesten. Maar het was een goed gezin. Allemaal getrouwd. Twee dood, allemaal gezond'.
Er heerst vaak ook een sfeer van gelatenheid in de buurten waar de gezondheidscommissie zijn werk doet. Is het al niet erg genoeg dat men in krotten moet wonen? Moet men nu ook nog verdreven worden? Dikwijls is het gevaarlijk om lang in zo'n buurt rond te lopen. De bevolking schoolt samen, er worden hatelijke opmerkingen gemaakt, soms wordt gescholden. Louise Went wordt uitgemaakt voor arme-mensen-verstoter als ze een bezoek brengt aan een af te keuren woning.
Toch leert een onderzoek uit 1910 dat de meeste bewoners van de ontruimde woningen goed zijn weggekomen. Ruim vierhonderd gezinnen worden in de nieuwe woning opgezocht. Driekwart heeft een betere, in de regel ook duurdere woning, 22% is er niets op vooruit gegaan. Slechts 2% woont nog slechter dan voorheen. Na 1910 loopt de onbewoonbaarverklaring terug. Als gevolg van de bevolkingsgroei en de stagnatie in de woningbouw in de eerste jaren na de invoering van de bouwverordening ontstaat een ernstig tekort aan woningen.
In 1914 wordt de onbewoonbaarverklaring op aandringen van de gezondheidscommissie voorlopig gestaakt. Het is niet langer verantwoord woningen aan de voorraad te onttrekken.
Naast de incidentele onbewoonbaarverklaring gaat Tellegen ook planmatig de slechte woonomstandigheden te lijf. De aanzet tot de sanering van Uilenburg, berucht om zijn onleefbare woontoestanden, wordt in 1907 gegeven.
Bouwtoezicht wil onteigenen om daarna nieuwbouw te plegen. De gezondheidscommissie stelt zich vierkant achter dit plan. Van de 908 te onteigenen, merendeels rug aan rug gebouwde woningen, moeten 380 zonder meer als onbewoonbaar worden aangemerkt. De commissie heeft slechts enkele redelijke en goede woningen gevonden. Hoe verschrikkelijk het op Uilenburg is blijkt uit een voorval dat door Wibaut in zijn boek Levensbouw wordt aangehaald. Wanneer Wibaut van een woninginspectie op de Eilanden met de tram naar huis gaat, hoort hij naast zich plotseling snikken. Het blijkt zijn medelid te zijn, een schijnbaar nuchter en onbewogen man. Het is lang niet bekend genoeg dat zoveel mensen slechter wonen dan beesten, zegt deze tot Wibaut.
In 1910 hecht de raad zijn goedkeuring aan het saneringsplan. Maar eerst moet voor vervangende woonruimte worden gezorgd. De Handwerkers Vriendenkring, een vereniging met vele Joodse leden, bouwt daarvoor een groot aantal woningen in de Transvaalbuurt, Wanneer deze woningen gereed zijn vangt in 1916 de sloop aan.
Ook de 564 krotwoningen gelegen tussen Willemsstraat, Brouwersgracht, Palmgracht en Palmdwarsstraat moeten volgens Tellegen onder de slopershamer. Dit sloppenbuurtje in de Jordaan is wel het allerellendigste voorbeeld op het gebied van het wonen dat men zich kan denken. Het ontlokte Henriëtte Roland Holst de uitdrukking dat te Amsterdam de Jordaan berucht was om zijn holen, waarin duizenden voortvegeteerden in stompzinnige berusting.
Volgens de gezondheidscommissie moeten 277 woningen onvoorwaardelijk onbewoonbaar worden verklaard. In 1911 gaat de raad accoord met het onteigeningsplan. Door de Woningmaatschappij Oud-Amsterdam zal een verbeteringsplan worden ontwikkeld.


Titel:Ik moet naar een kleinere woning omzien, want mijn gezin wordt te groot; 125 jaar sociale woningbouw in Amsterdam, p. 21 en 22
Auteur:Egbert Ottens
Herkomst:Gemeentelijke Dienst Volkshuisvesting, 1975
Datering:1975 (tweede druk 1985)
Inventarisnummer:Amsterdam Museum/Stadsarchief Amsterdam - AA3371; TA202
Je aantekeningenPrinten
uitleg verbergen
  • klik op de knop met de + om de toelichting te lezen

  • klik op de knop met het ? om hulpvragen te lezen

  • klik op de knop met a-z om trefwoorden op te roepen waarmee je naar andere bronnen kunt

  • kijk in het gele vak onderin voor de basisgegevens

  • klik op de knop met de pen rechtsonder om een notitie te plaatsen

  • klik op de knop met de printer rechtsonder om de afbeelding en gegevens te printen

transcriptie verbergen

trefwoorden verbergen

krot
onbewoonbaarverklaring
gezondheidscommissie
hygiŽne
Tellegen
woningwet
sociale woningbouw

hulpvragen verbergen

  • Dit fragment komt uit een boek met een bijzondere titel. Het lijkt een kromme redenering, maar leg uit waarom deze voor veel mensen opging.

  • De dienst Bouw- en Woningtoezicht probeert op allerlei manieren iets te doen aan slechte woonomstandigheden: ze stelt strengere eisen aan nieuwbouw, ze zet projecten op met woningbouwverenigingen, ze doet iets aan een rechtvaardiger verdeling van huizen over de bevolking etc. Over welke methode van verbetering gaat het in dit fragment?

  • Was de bevolking blij met het werk van de Gezondheidscommissie volgens deze bron? En waarom reageerde men zo?

  • Welke informatie geeft deze bron over de resultaten van het beleid om slechte woningen te ontruimen en slopen?

toelichting verbergen

Dit fragment komt uit een boek over de geschiedenis van de sociale woningbouw in Amsterdam.
In 1901 wordt de woningwet aangenomen in de Tweede kamer. Deze wet bepaalt onder andere dat gemeentes verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit van de volkshuisvesting.
In datzelfde jaar wordt in Amsterdam de dienst Bouw- en Woningtoezicht opgericht. Ingenieur Tellegen krijgt de leiding.
Het tekstfragment in deze bron gaat over 1905-1915. In deze periode probeerde de dienst Bouw- en Woningtoezicht op diverse manieren de woningvoorraad te verbeteren.