home > thema's > onderwijs > wetgeving > schriftelijke bronnen terug
<h1>De werking van de wet van 1857</h1>
help toelichting hulpvragen trefwoorden
De wet van 1857 bracht vele verbeteringen aan in de inrichting van het openbaar onderwijs. Nieuwe voorschriften omtrent de te onderwijzen vakken werden gegeven; verbetering van de opleiding en de salariëring der onderwijzers was dringend nodig en werd nu door de wet voorgeschreven. Even belangrijk was, dat volgens het voorschrift dat reeds in de grondwet was neergelegd, nu ‘overal’ ‘voldoende’ openbaar onderwijs gegeven moest worden, hetgeen de gemeentebesturen verplichtte openbare scholen op te richten als zij niet of niet in voldoende aantal bestonden.

Wat was nu het karakter van het onderwijs aan de openbare lagere scholen volgens de wet van 1857? Daarover heerste een tijdlang onzekerheid. Vele conservatief-protestanten, die voor de nieuwe wet waren en in het bijzonder de bepaling omtrent de opleiding tot ‘christelijke deugden’ toejuichten, meenden dat de wet van 1806 in dit opzicht in feite verlengd was. Men zou doorgaan met christelijk-getint onderwijs te geven, bijvoorbeeld door het vertellen der bijbelse geschiedenissen, door het openen en sluiten der schooltijden met gebed, door uitgezochte gedeelten van de bijbel bij gelegenheid voor te lezen en te verklaren.
Toch werkte de wet van 1857 de verwijdering van het godsdienstige element in de openbare scholen in de hand, tot teleurstelling van vele conservatief-protestanten. De bepaling dat de openbare onderwijzers geen aanstoot mochten geven aan de gevoelens van andersdenkenden moest er (in de eerste plaats in de gemeenten met een godsdienstig gemengde bevolking) toe leiden, dat elke verwijzing naar christelijke geloofsopvattingen achterwege gelaten werd. Dit was ook de officiële interpretatie van de wet. Zo verdwenen in een aantal streken, vooral in de grote steden, de schoolgebeden en werden leerboeken en leesboeken waarin christelijk-godsdienstige begrippen gehanteerd werden op den duur uitgebannen.

Titel:Schoolstrijd en partijvorming in Nederland, h. 3 De werking van de (school) wet van 1857, p. 14 e.v.
Auteur:Th. van Tijn
Herkomst:in: Cahiers voor Geschiedenis, Meulenhoff Educatief, Amsterdam
Datering:1967
Inventarisnummer:Stadsarchief Amsterdam - 35E50
Je aantekeningenPrinten
uitleg verbergen
  • klik op de knop met de + om de toelichting te lezen

  • klik op de knop met het ? om hulpvragen te lezen

  • klik op de knop met a-z om trefwoorden op te roepen waarmee je naar andere bronnen kunt

  • kijk in het gele vak onderin voor de basisgegevens

  • klik op de knop met de pen rechtsonder om een notitie te plaatsen

  • klik op de knop met de printer rechtsonder om de afbeelding en gegevens te printen

transcriptie verbergen

trefwoorden verbergen

openbaar onderwijs
wetten
godsdienstonderwijs

hulpvragen verbergen

  • Wat zei de wet over het bouwen van (lagere) scholen?

  • Wie was dus in feite verantwoordelijk voor het basisonderwijs?

  • Waarom waren conservatief-protestanten teleurgesteld over deze wet?

toelichting verbergen

De schoolwet van 1857 regelde zaken zoals de opleiding tot onderwijzer en de bevoegdheden. De wet stelde de gemeente verantwoordelijk voor de bouw van voldoende scholen voor lager onderwijs.
Ook stond in de wet dat de onderwijzers van openbare scholen de gevoelens van de niet-christelijke leerlingen moesten ontzien. Het geven van onderwijs in de godsdienst wordt overgelaten aan de kerkgenootschappen.