home > thema's > wonen > op stand > schriftelijke bronnen terug
<h1>Leven op stand</h1>
help toelichting hulpvragen trefwoorden
Hoe rijke mensen leefden in de negentiende en aan het begin van de twintigste eeuw was veel duidelijker dan nu. De huizen stonden ‘op de eerste stand’,  aan de hoofdstraat of belangrijkste gracht. Als je daar woonde behoorde je automatisch tot de plaatselijke ‘notabelen’. Een goed huis had dan ook vooral met status te maken. Je kon iemands positie aflezen aan wáár hij woonde. Natuurlijk was het daarbij ook van belang hóe hij woonde. Deftige families in Amsterdam woonden aan de Heren- of Keizersgracht; als het even kon hadden ze daarbij een buitenhuis waar ze in de zomer verbleven. De stand van de straat, waar het huis stond ten opzichte van andere huizen en gebouwen in de straat, was ook nog belangrijk voor de rijken.. winkels vlakbij betekende bijvoorbeeld dat de status van het huis en daarmee het gezin verminderde.
     Een heren- of stadshuis telde op zijn minst zes kamers. De indeling lag grotendeels vast. Er waren twee soorten huizen voor rijken: het ene had een middengang en zijkamers en het andere was een rijenhuis met gang, keuken en trap aan één kant, en de suite daarnaast. Om veel verschillende soorten kamers te hebben was goed, dit verhoogde de waardigheid van het huis en daarmee je status. De namen van die kamers doen soms geheimzinnig aan:  zo had je bijvoorbeeld de leerkamer en de poetskeuken, de linnenkamer, de eierkamer, de dienkamer en de tuinkamer.
     Verschillende soorten huishoudens vroegen om verschillende soorten kamers. Sommige kamers kwamen alleen in bepaalde huizen voor – zoals de zaal. Die bevond zich meestal wel in de grachtenhuizen. De zaal was een zeer representatief vertrek waar de wanden bekleed waren met tapijten of geschilderde behangsels. Onder de zaal bevond zich de keuken, of een tuinkamer. Als er een keuken onder zat, was er meestal een liftje om eten mee op te hijsen. Gewoonlijk werd de zaal gebruikt als salon, voor feestelijke gelegenheden of diners.
     Oudere inwonende kinderen hadden als het enigszins kon een eigen zit- en slaapkamer. Voor de jongere kinderen was er een speel- of leerkamer. Maar natuurlijk beschikten niet alle huizen – op – stand over al die privé – vertrekken.  Eetkamer en huiskamer waren vaak dezelfde. Het gezinsleven speelde zich af rond de tafel, ook buiten de maaltijden. Was er een afzonderlijke eetkamer, dan was er daarnaast een dessertkamer, die ook wel aanrechtkamer of dienkamer genoemd werd. Daar werd alles klaargezet wat voor de maaltijd nodig was; porselein en glaswerk werden er bewaard.
     In de meeste grotere huizen was naast de voordeur een zogenaamde spreekkamer (ook wel wachtkamer of kantoor genoemd). Deze kamer diende om bezoekers binnen te laten met wie men normaal gesproken niet omging. Zo kwamen daar bijvoorbeeld reizigers die hun koopwaar lieten zien en het meisje dat solliciteerde voor dienstbode werd er te woord gestaan. Een spreek- of wachtkamer was in het tijdperk vóór de telefoon praktisch onmisbaar voor het leven op stand.
     In de keuken verbleef of verbleven de dienstbode(n). Alleen de grootste huizen hadden een afzonderlijke zitkamer voor het personeel. De trap van de begane grond naar de eerste verdieping ging de overgang van (min of meer) openbaar naar privé markeren: boven waren in ieder geval de slaapkamers. In de grote huizen kwam het nog veel voor dat de salon zich op de eerste verdieping bevond. In de grootste huizen beschikte elke slaapkamer over een aangrenzend kabinet, waar de wastafel en kleerkasten stonden. Dat heette dan een toiletkamer, een naam die ook gebruikt werd voor een garderobe op de begane grond.
Naast slaapkamers waren op hoger gelegen verdiepingen ook de naaikamer, strijkkamer en logeerkamer(s) te vinden. De slaapkamer van de dienstbode niet, die bevond zich altijd op zolder, in een hoekje van het huis waar nooit iemand kwam. Het afgetimmerde dienstbodekamertje op zolder was slechts één van de vele puur praktische bestemmingen voor de ruimte onder het dak. Hieruit kun je aflezen hoe er over het personeel werd gedacht. Een zolder was moeilijk te bereiken en de binnentemperatuur wisselde nogal. In huishoudens waar de grote was maar een paar keer per jaar werd weggebracht om gewassen te worden, werd het vuile goed op zolder in kisten bewaard. Er waren droogstokken aangebracht, waar lakens overheen te drogen werden gehangen. Strijk- en mangelwerk gebeurde vaak op zolder, en dan stond er ook een grote tafel om de lakens in vorm te trekken en op te vouwen.
Een ander deel van de zolder diende meestal als opslagplaats voor overtollig huisraad en koffers met ongebruikte kleding. Ook bood de zolder vaak speelruimte voor de kinderen. Logeerkamers waren onmisbaar in een goed huis. Er bleven vaak mensen overnachten.
     Comfort was niet het belangrijkste voor de hogere standen. Een comfortabel huis was geen ideaal zoals netheid, deftigheid en gezelligheid dat wel waren. Achteraf is het verbazend dat allerlei moderne uitvindingen die het gemak dienen, en die we nu als onmisbaar beschouwen – stromend water, gas, elektriciteit, apparaten – zich in zo’ n langzaam tempo verspreidden. De neiging om mee te doen aan al deze vernieuwingen was blijkbaar niet erg groot. Een belangrijke reden daarvoor was de aanwezigheid van personeel. Zolang er mensenhanden waren om lampen te poetsen, kachels schoon te maken, po’ s te legen en met water en brandstof te sjouwen, ging men geen dure voorzieningen aanleggen. Daarnaast speelden ook prestige, loyaliteit, ideeën over hygiëne en andere emotionele zaken speelden bij deze beslissing een belangrijke rol.
In de badkamer stond meestal een zinken bad met daarboven een geiser, maar verder niets. In de slaapkamer ernaast stonden dan wastafels met marmeren bladen en daarop waskommen, waterkannen en spiegels, eronder de lampetkan en de vuilwateremmer. Dit alles zag er veel luxueuzer uit. De vuilwateremmer werd geleegd in het gemak (het toilet) in de pompkamer, net als de ‘kamergemakken’ die overdag in de nachtkastjes werden bewaard. Veel huizen hadden nog geen vaste badkamer. Waar badkamers waren aangelegd voordat er waterleidingen in het gebied was, tapten de bewoners kleine straaltjes uit reservoirs op zolder, of uit stortbakken van wit porselein.
Vaak werden in één en hetzelfde huis verschillende soorten licht gebruikt: kaarsen, petroleumlampen, spirituslampen, gaslicht en elektrisch licht. Gaslicht was naast kaarsen de belangrijkste lichtbron. Elektrisch licht kwam nog niet veel voor.  Ook voor verwarming werd vaak voor gas gekozen, maar gebruikelijk was kolen en/ of cokes als brandstof.  De meeste huishoudens waren echter zuinig met het gebruik van energie. Zuinigheid ging boven comfort, en bovendien was het ook voor de gezondheid, ja zelfs het moreel beter om het ‘een beetje fris’ te hebben, dan lekker warm. Dat laatste leidde maar tot verzwakking. Naar onze begrippen was het dan ook vaak erg kil in huis.
Mensen op stand konden vaak van alles goedkoop krijgen. Goedkoper dan de armen. Dit gold vooral voor brandstof . Een verstandige huisvrouw kocht haar kolen in de zomer, wat bijna de helft van de prijs scheelde -  maar zij moest natuurlijk wel geld hebben om de hele voorraad ineens te kopen, en ruimte om hem op te slaan. Iets soortgelijks gold voor aardappels, en zelfs bij moeilijk houdbare zaken als vlees kon voordeel worden behaald door het kopen van grote stukken ineens. Winkeliers waren in de concurrentieslag om de bovenlaag te klant te houden soms gedwongen om lang krediet toe te staan. Iedere degelijke huisvrouw hield een huishoudboek bij.

Titel:Leven op stand, 1890-1940, hoofdstuk 2: Huis (Amsterdam 1999) p. 41 69.
Auteur:Ileen Montijn
Herkomst:Uitgever Thomas Rap
Inventarisnummer:Amsterdam Museum/Stadsarchief Amsterdam - 33F49
Je aantekeningenPrinten
uitleg verbergen
  • klik op de knop met de + om de toelichting te lezen

  • klik op de knop met het ? om hulpvragen te lezen

  • klik op de knop met a-z om trefwoorden op te roepen waarmee je naar andere bronnen kunt

  • kijk in het gele vak onderin voor de basisgegevens

  • klik op de knop met de pen rechtsonder om een notitie te plaatsen

  • klik op de knop met de printer rechtsonder om de afbeelding en gegevens te printen

transcriptie verbergen

trefwoorden verbergen

status
interieur
keuken
dienstbode
werkzaamheden dienstbode
badkamer
toilet
verlichting
verwarming
hygine

hulpvragen verbergen

  • Vergelijk deze bron met de beeldbron van het interieur van de P.C. Hooftstraat. Welke vertrekken die in deze bron worden genoemd vind je terug in de beeldbron?

  • Wanneer kun je volgens deze bron spreken van ‘wonen op stand’?

  • Vergelijk deze bron met de bronnen van de P.C. Hooftstraat en de bronnen van de Herengracht. Zijn deze twee huizen aan twee verschillende straten huizen ‘op stand’, of is de één iets meer op stand dan de ander of maakt het niet uit?

toelichting verbergen

In het boek Wonen op stand 1890 – 1940 van Ileen Montijn worden vele aspecten van het leven op stand beschreven. Niet alleen wonen op stand , maar ook etiquette,  omgang met elkaar en met andere ‘standen’, smaak en andere aspecten van ‘stand’ komen aan de orde. Hier is een samenvatting gegeven van het hoofdstuk Wonen. In dit hoofdstuk wordt de woning beschreven en hoe de bewoners hierin leefden.