home > thema's > werken > fabrieken > schriftelijke bronnen terug
<h1>Arbeidsenquete A.W. Rosendahl</h1>
help transcriptie toelichting hulpvragen trefwoorden
Vergroot Volgende afbeelding Volgende afbeelding Volgende afbeelding Volgende afbeelding


Titel:Verhoor van den heer A.W. Rosendahl
Herkomst:In: Jacques Giele, Een kwaad leven 1 (Amsterdam), p. 357-361. Uitg. te Amsterdam/Nijmegen, 1981
Datering:1887
Inventarisnummer:Stadsarchief Amsterdam - 47C48
Je aantekeningenPrinten
uitleg verbergen
  • klik op de knop met de = om de transcriptie te lezen (getypte versie)

  • klik op de knop met de + om de toelichting te lezen

  • klik op de knop met het ? om hulpvragen te lezen

  • klik op de knop met a-z om trefwoorden op te roepen waarmee je naar andere bronnen kunt

  • kijk in het gele vak onderin voor de basisgegevens

  • klik op de knop met de pen rechtsonder om een notitie te plaatsen

  • klik op de knop met de printer rechtsonder om de afbeelding en gegevens te printen

transcriptie verbergen

4744. De Voorzitter: Welke zijn uw naam, voornaam, beroep en woonplaats?
A. August Wilhelm Rosendahl, arbeider op de Hollandsche Suikerraffinaderij en secretaris van de vereeniging “ Nederlands werkman" te Amsterdam.
4745. V. Wat is het doel dezer vereeniging?
A. De stoffelijke en zedelijke ontwikkeling van den werkman.
4746. V. Door middel van een fonds tot ondersteuning in geval van ziekten en ongelukken, en bij den ouden dag?
A. Ja, ik heb hier nog een exemplaar, van het vorige jaar van ons reglement bij mij, dat ik gaarne zal overleggen.
4747. V. Dank u. Ik zie daaruit dat uwe vereeniging ruim 2200 leden telt; hoeveel betalen zij in de week?
A. Elf centen.
48 V. Hoe lang bestaat die vereeniging ?
A. Reeds 20 jaren.
4749. V. Bezit de vereeniging al eenig kapitaal.
A. Ruim f 6000.
4750. V. Dus gij lieden houdt niet van verdeelen bij het einde van het jaar! En bovendien, ge kunt elkander helpen en komt rond?
A. Juist, Mijnheer.
4751. V. Is er iets bijzonders in uwe vereeniging, iets eigenaardigs dat haar van andere vereenigingen van dien aard onderscheidt?
A. Neen, Mijnheer, alleen wil ik er op wijzen dat de werklieden gaarne verbetering in hun maatschappelijken toestand wenschen.
47522. V. Van uwe vereeniging is dus niets bijzonders te zeggen, dan dat zij zich in bloei verheugt. Staat zij voor alle takken open?
A. Ja, Mijnheer.
4753. V. Wat doet de vereeniging nog meer buiten het ziekenfonds en het zorgen voor dien ouden dag?
A. Wij hebben ook nog eene zangvereeniging, eene uitgebreide bibliotheek en eene groote spaarkas, waarin verleden jaar f 13000 is ingebracht.
4754. V. Keert gij, zie ik, 5 percent uit?
A. Op het oogenblik slechts 4 percent; wij hebben vroeger 6 percent uitgekeerd, maar het niet kunnen houden.
4755. V. Ik zou over dit onderwerp gaarne meer van u willen weten, maar het is er het oogenblik niet voor. Laten wil bij het onderwerp van ons onder zoek blijven. Gij zijt werkzaam bij de Hollandsche suikerraffinaderij. Wat doet gij daar? en hoe lang zijt gij daar ?
A. Ik behoor er tot de oudsten. Ik ben er 24 jaar, zonder ergens anders geweest te zijn.
4756 V. Wat verdient gij ?
A. ‘s Weeks f 11 vast loon.
4757. V. Hoe laat komt gij en hoe lang blijft gij?
A. Van ‘s morgens 5 uren tot 's avonds 6 uren.
4758. V. En hebt ge geen nachtwerk?
A. Er is veel nachtwerk, maar ik heb een bepaalden arbeid en werk niet 's nachts.
4759. V. Werken de nachtploegen nooit over dag?
A. Dat wisselt af.
4760. V. Zijt gij dan een der gelukkigen die ‘s nachts niet behoeven te werken, omdat gij er zoo lang zijt?
A. Ik heb werk dat ‘s nachts niet kan gebeuren.
4761. V. Welk werk hebt gij dan?
A. De pakking, en dat wordt ‘s nachts niet gedaan.
4762. V. Ge zijt dus voor de expeditie?
A. Voor de expeditie en de consumptie.
4763. V. Dus zijt ge niet in de smelterij ? Ge weet niet wat daar omgaat?
A. Neen.
4764. V. Doet gij niets dan gewoon werk ?
A. Ik maak in de magazijnen de pakken en lever af. Tot mijn arbeid behoort ook het suikermalen. Ik maak crushed en fijn.
4765. V. Maar gij weet toch wel wat er in de fabriek omgaat? Werkt men daar met twee ploegen?
A. Met dag- en nachtploeg. De dagploeg komt op ‘s morgens om 5 uren tot ‘s avonds 6 uur, dus 13 uren, met twee schafturen, de nachtploeg te 6 uren 's avonds tot ‘s morgens 7 uren.
4766. V. Wisselen die dag- en nachtploegen?
A. Ja, met den Zondag. De fabriek staat stil van Zaterdag-avond tot Zondag-avond. De dagploeg van Zaterdag wordt des Zondags-avonds nachtploeg.
4767. V. Werken die menschen bij groote vuren?
A. Neen.
4768. V. In groote hitte?
A. Op enkele punten, in de droogkamer bij voorbeeld.
4769. V. Hoe is het met het beenzwart?
A. Dat weet ik niet, in die afdeeling kom ik nooit, ik weet er zelfs den weg niet.
4770. V. Maar dat is dan toch een leelijk punt?
A. Het is een afzichtelijk werk.
4771. V. Werken er jongens bij u aan de fabriek?
A. Ongeveer 25, maar zij zijn ouder dan 14 jaar. Wij noemen ook jongens die f 7 à f 8 per week verdienen.
4772. V. Doen die jongens dat nachtwerk als zij in de nachtploeg vallen?
A. Ja, dat weten zij.
4773. V. Doen zij ander werk dan de volwassenen?
A. Ja, hun werk is veel lichter: zij moeten helpen, oppassen en scheppen.
4774. V. Een volwassene zou dat toch ook kunnen doen?
A. Natuurlijk.
4775. V. Dus alleen omdat men hooger loon zou moeten uitbetalen, neemt men daarvoor jongens?
A. Ja, het zou meer loon kosten als zij een volwassenen in plaats van een jongen daarvoor namen.
4776. V. Doet het kwaad aan de jongens, die met de nachtploeg hebben gewerkt; zien zij er dan vermoeid uit?
A. Heel weinig. Ik ben ook zoo begonnen. Daarna ben ik behanger geworden, en toen ik dat vak, 24 jaar geleden, heb verlaten, ben ik weer op eene raffinaderij gekomen. Nu ben ik ongeveer 50 jaar.
4778. V. Zijt gij als jongen van 13 à 14 jaar in de suikerraffinaderij gekomen?
A. Ja, bij den heer De Bruyn.
4779. V. Moest gij toen ‘s nachts werken?
A. Ja, evenals het nu plaats heeft, en het heeft mij niets gehinderd. Men moet niet vergeten dat er plezier gemaakt werd door ons jongens onder elkander.
4780. V. En gingt gij over dag slapen?
A. Ja.
4781. V. Kreegt ge des nachts in de fabriek wat te eten?
A. Ieder bracht zijn brood mede.
4782. V. Kreegt gij er wat bij?
A. Ja, koffie en bier.
4783. V. Gaf dat de fabriek?
A. Ja.
4784. V. En wat verdienen die jongens?
A. Ontzaggelijk veel meer dan vroeger; zij verdienen tegen een volwassene op.
4785. V. Waarom neemt men dan geen volwassen mannen?
A. Dat is een raadsel dat ik niet kan oplossen. Als jongen heb ik veel minder verdiend dan de jongens nu hebben.
4786 V. Maar toen verdienden de volwassen mannen toch zeker ook minder dan thans?
A. Dat kan wel zijn, maar dat weet ik wel, dat ik als jongen op de fabriek veel minder verdiend had dan de jongens nu verdienen.
4787. V. Gevaar voor lijf en leven bestaat er in uw fabriek niet?
A. Neen. Men wordt zelfs gewaarschuwd niet bij de machine te komen.
4788. V. Hebt gij uit uw eigen soms nog wat te zeggen?
A. Als ik zoo vrij mag zijn, wensch ik er op te wijzen dat er naar mijn inzien verplicht onderwijs moet zijn.
Het onderwijs is de moeder van de maatschappij, en ik geloof dat de werkman in dat opzicht wat stiefmoederlijk behandeld wordt. Men heeft gedurende 20 jaren op het aambeeld van algemeen stemrecht geslagen, ik heb niet minder geklopt op het verplicht onderwijs. Misschien stonden wij nu reeds dichter bij het algemeen stemrecht, als het onderwijs toen verplicht was gesteld; dan konden wij het algemeen stemrecht gebruiken. Ik geloof dat het onderwijs het beste bolwerk is tegen de domheid van het volk en zijne volgelingen.
Dat is de eenige batterij die daartegen opgeworpen kan worden. Mocht ik falen, dan zal ik mij gaarne laten terechtwijzen.
4789. V. Goed, spreek eens door. Gij zoudt dus gedwongen schoolplicht wenschen?
A. Dat is misschien wat scherp, maar ik wil verplicht onderwijs.
4790. V. En tot hoe oud zoudt gij dat aandurven?
A. Tot 14 jaar.
4791. V. Tot 14 jaar? Zoudt gij dat aandurven?
A. Ja. Ik heb het met mijn eigen kinderen gedaan en heb er genoegen van. Ik heb een jongen van mij heden mede naar den Haag genomen, wij zijn naar Scheveningen geweest en alles wat hij op school heeft geleerd, kwam hem hier te pas. Ik heb met hem loopen praten als met een mensch; ik was niet alleen in den Haag.
4792. V Maar is bij u, die van f 11 moet rondkomen, nooit de gedachte gerezen: nood leert bidden, wat zou die jongen een aardig duitje kunnen inbrengen ? Gij hebt er niet aan toegegeven, maar kwam het nooit in u op?
A. Ik heb van zijn leven wel armoede geleden, maar dat denkbeeld is nooit bij mij opgekomen.
4793 V. Zooals gij weet, zijn er wel die anders denken?
A. Als een werkman zich in het huwelijk begeeft, dan gaat alles goed, maar als het huisgezin vermeerdert, dan komt de daling die crisis moet doorgestaan worden. Als de kinderen ouder worden, dan komt de welvaart terug, maar die tijd, die daarvóór ligt, is de moeilijkste voor den werkman, dan is het wel eens lastig om tevreden te blijven. Als er nu werkeloos bijgekomen was, dan zou de vraag, die u mij zoo straks deed, wel eens bij mij opgekomen zijn, maar ik heb voortdurend werk gehad. Mijn vader werkte op dezelfde fabriek als ik en is thans gepensionneerd.
4794. V. Werkte die dus ook op de Hollandsche Suikerraffinaderij?
A. Ja, vader heeft er 50 jaar gewerkt.
4795. V. Is hij door de fabriek gepensionneerd of uit een fonds?
A. Door de fabriek. Mijn vader vond het altijd goed, als hij ons in de boeken vond; het was zijn grootste plezier als hij zag dat zijn kinderen knapper waren dan hij, en nu wacht ik later van mijn zoon hetzelfde.
4796. V. En gij zijt de wereld altijd moeten doorkomen met f 11?
A. Ja, dat heb ik altijd moeten doen.
4797. V. Maar gij hebt waarschijnlijk maar één kind groot te brengen gehad?
A. Neen, ik ben 19 jaar getrouwd en heb 17 kinderen gehad, altijd mijn vrouw natuurlijk.
4798. V. Maar hoeveel zijn er dood?
A. Ik heb verleden jaar nog een meisje verloren, maar ik heb er nog twee over.
4799. V. Hebt gij in het geheel dan nog 15 kinderen?
A. Neen, ik heb er 15 verloren.
4800. V. Dus op het oogenblik hebt gij maar twee kinderen tot uw last?
A. Op het oogenblik ja.
4801. V. Dus behalve dat gij het verdriet van het verliezen hebt gehad, is hetzelfde alsof gij er maar twee gehad hadt?
A. Neen, dat scheelt een heeleboel.
4802. V. Maar gij hebt toch twee kinderen groot moeten brengen ?
A. Ja.
4803. V. Maar als gij ze alle 17 hadt moeten grootbrengen, zou het er anders hebben uitgezien?
A. Misschien beter.
4804. V. Misschien beter?
A. Ja, op het oogenblik.
4805 V. En slechts met die elf gulden ‘s weeks, zijt gij zoo mooi rondgekomen?
A. Mooi, dat is eene andere vraag.
4806. V. Mooi noem ik het, omdat gij het hebt kunnen doen.
A. Ja, ik heb moeten scharrelen om er te komen.
4807. V. In uw vak is dus altijd, als men oppast, brood te vinden?
A. Ja, dat ligt aan den werkman zelf.
4808. V. Voor u zelf behoef ik het niet te vragen, want het is u best aan zien dat gij het niet doet, maar wordt door het volk in de raffinaderij en geen misbruik van sterken drank gemaakt?
A. In de fabriek niet. Dat is afgeschaft.
4809. V. Vroeger dan?
A. Ja, maar in mijn tijd is het afgeschaft.
4810. V. En buiten de fabriek?
A. Ja, daar moet ik mijn kameraden vrijlaten, dat geldt hun eigen rekening verantwoording.
4811. V. Jawel, maar komt het nog eens voor?
A. Dat zullen de heeren uit de jaarlijkse cijfers zelf wel weten.
4812. V. Hebt gij nog iets te zeggen?
A. Niets dan dat ik hoop dat de gevraagde aandacht aan mijne mededelingen zal geschonken worden, vooral op het tweede punt, den kinderarbeid. Nog wenschte ik de aandacht te vestigen op één punt. Er zijn tal van werklieden die in de fabrieken een ongeluk krijgen, waardoor in de huisgezinnen armoede en ellende ontstaat. Nu zou ik gaarne wenschen dat er, zoo mogelijk, later iets kon gedaan worden voor dergelijke werklieden Ik ben lid van eene vereeniging die circa 2300 leden telt en hoor daardoor vele klachten; ook dit is een van hunne grieven. In Amsterdam zijn tal van brave, knappe, eerlijke werklieden, en dat hebben zij in de ongelukkige Juliedagen bewezen; toen hebben de besturen van de verschillende corporatiën de werklieden aangemaand om zich van elke demonstratie te onthouden, en dat hebben zij ook gedaan.
4813. V. Het punt van de onderlinge fondsen hebben wij ook al dikwerf met anderen besproken, en wel gemerkt dat daaraan door u onder elkander veel en flink gedaan wordt Het gebeurt wel in sommige vakken dat de patroons niet veel medewerken om de zaak te ondersteunen?
A. In het algemeen wordt daar door de patroons weinig aan gedaan. Ik heb mij nu juist op dit oogenblik aan het hoofd geplaatst van eene vereeniging die trachten zal die medewerking te verkrijgen.
4814 V. Maar het bleek ook dat er vakken zijn waarin de patroons het goede willen en beproefd hebben iets in die richting tot stand te brengen, doch dat de werklieden toen niet medewerken wilden. Gij zult wel weten, welke vakken ik bedoel?
A. Ja, dat weet ik wel. Juist daarom heb ik er met de heeren Kerdijk en Hugenholtz over gesproken. Wij moeten iemand hebben van verstand en ontwikkeling, wij zullen niet zeggen dat de patroon of de werkman schuld heeft, de toekomst zal dit moeten leeren.
4815. V. Hebt gij nog iets te zeggen?
A. Neen, ik heb mijne denkbee1den kenbaar gemaakt.
4816. De Voorzitter: Dan danken wij u. Uw verhoor is afgeloopen.
A. W. ROSENDAHL.

trefwoorden verbergen

arbeidsenquete
arbeidsomstandigheden
werkomstandigheden
suikerraffinaderij
fabrieken
getuigen

hulpvragen verbergen

  • Wat voor werk doen 'jongens' in de fabriek?

  • Waarom worden jongeren aangenomen?

  • Wat vindt de heer Rosendahl van kinderarbeid?

  • Welke andere kwestie wil de heer Rosendahl nog onder de aandacht brengen?

toelichting verbergen

In 1887 werd er door een Parlementaire Enquetecommissie een enquête gehouden om de toestand in de fabrieken te beschrijven. Zowel arbeiders als fabrikanten kwamen aan het woord. Op vrijdag 14 januari 1887 werd o.a. de heer August Wilhelm Rosendahl ondervraagd. De heer Rosendahl is arbeider op de Hollandsche Suikerraffinaderij en secretaris van de vereniging 'Nederlands werkman' te Amsterdam. Hij werkt al 24 jaar bij het bedrijf en heeft nooit ergens anders gewerkt.

De oorspronkelijke tekst van de enquete is in 'Een kwaad leven' volledig gereproduceerd. Jacques Giele heeft er een toelichting bij geschreven.