home > thema's > werken > fabrieken > schriftelijke bronnen terug
<h1>Arbeidsenquete Blomberg en Van Dam</h1>
help transcriptie toelichting hulpvragen trefwoorden
Vergroot Volgende afbeelding Volgende afbeelding Volgende afbeelding


Titel:Verhoor van F. Blomberg en B.A. van Dam. (Verkort)
Auteur:Parlementaire Enquetecommissie
Herkomst:In: Jacques Giele, Een kwaad leven 1 (Amsterdam), p. 372 e.v.. Uitg. te Nijmegen/Amsterdam 1981
Datering:1887
Inventarisnummer:Stadsarchief Amsterdam - 47C48
Je aantekeningenPrinten
uitleg verbergen
  • klik op de knop met de = om de transcriptie te lezen (getypte versie)

  • klik op de knop met de + om de toelichting te lezen

  • klik op de knop met het ? om hulpvragen te lezen

  • klik op de knop met a-z om trefwoorden op te roepen waarmee je naar andere bronnen kunt

  • kijk in het gele vak onderin voor de basisgegevens

  • klik op de knop met de pen rechtsonder om een notitie te plaatsen

  • klik op de knop met de printer rechtsonder om de afbeelding en gegevens te printen

transcriptie verbergen

5001. De Voorzitter: Hoe is uw naam, voornaam, ouderdom en woonplaats?
A. Frederik Blomberg, oud 40 jaar, woonachtig hoek Looiersgracht en Dwarsstraat 42, te Amsterdam.
5004. V. Waar werkt gij?
A. Aan de Hollandsche suikerraffinaderij.
5005. V. Zijt gij er allang?
A. Vijftien jaar, nog geen zestien jaar.
5006. V. Wat waart gij tot uw 25ste jaar.
A. In een glasmagazijn.
5007. V. Gij zijt na uw 25ste jaar steeds bij denzelfden patroon geweest?
A. Ja.
5008. V. Van Dam, hoe zijn uw naam, voornamen en woonplaats en onderdom?
A. Bernardus Alex Van Dam, oud 23 jaar, wonende te Amsterdam, Laurierstraat bij de Baangracht.
5009. V. Werkt gij ook aan de Hollandsche suikerraffinaderij?
A. Ja.
5010. V. Van jongen af?
A. Neen, eerst van mijn 18de jaar af.
5011. V. Wat waart gij tot uw 18de jaar?
A. Bij de sigarenmakerij.
5012. V. Bij wien hebt gij gewerkt?
A. Bij de heeren Bergman Carels, Visscher, Roelofs. Ten Jansen.
5013. V. Gij zijt dus bij nog al veel patroons geweest?
A. Ja, dat komt omdat ik als jongen mijn baas moest volgen. Als die van patroon veranderde, moest ik medegaan.
5014. V. Toen gij naar de 18 jaar afliept, waart gij toch geen jongen meer? Waart gij toen zelf niet sigarenmaker?
A. Neen. Ik kon toen niet genoeg van het vak om mijn brood er mede te kunnen verdienen.
5016. V. Gij vindt het voordeeliger om bij de raffinaderij te werken?
A. Ja. het zitten verveelde mij, en ik werkte bij een raren baas.
5017. V. Bij wien?
A. Bij zekeren Lievegoed, een rare baas.
5019. V. Vertel eens, Blomberg, hebt gij beiden hetzelfde werk aan de raffinaderij?
A. Neen, ik ben aan de smeltpan.
5020. V. En wat doet gij, Van Dam?
A. De eerste 2 of 3 jaren was ik bij de beenzwartbranderij, nu ben ik bij de filtrage.
5021. V. Gij, Blomberg, hebt dus te doen met de ruwe suiker?
A. Ja, die komt allemaal bij ons.
5022. V. Hoe lang werkt gij?
A. Van ‘s morgens 5 tot ‘s avonds 6 uur.
5025. V. Dus ‘s avonds en ‘s nachts werken komt niet te pas?
A. Als er een mankeert, wel, maar dan wordt men apart betaald.
5026. V. Maar dat is uitzondering, niet waar?
A. Ja, en het geschiedt uit vrijen wil.
5027. V. Werkt gij met twee ploegen?
A. Ja.
5028. V. Eene dag- en eene nachtploeg?
A. Ja, maar wij wisselen af.
5029. V. Om hoe laat komt gij op, als gij bij de nachtploeg zijt?
A. ‘s Avonds om 6 uur.
5030. V. En dan blijft ge tot?
A. 7 uur of half acht.
5031. V. En op den Zondag wisselt gij om?
A. Ja.
5032. V. Dus dat is nog al uit te houden?
A. Ja.
5033 V. Van Dam, hebt gij bij de filtrage ook eene dag- en eene nachtploeg?
A. Getuige Van Dam: Ja.
5034. V. Zijt gij des Zondags vrij?
A. Ja, om de andere week val ik in de nachtploeg.
5035. V. Des Zondags hebt gij geen werk over dag ?
A. Neen, alleen tegen Nieuwjaar, als het een beetje druk is, dat duurt een week of 6, 7.
5036. V. Maar dat komt zelden voor?
A. Onlangs hebben wij twee Zondagen gewerkt.
5038. V. Waart gij blij toen gij van die beenzwartbranderij afwaart?
A. Ja, natuurlijk, want ik ging meteen wat hoogerop, toen had ik 7 1/2 gulden en nu 9 gulden ‘s weeks.
5039. V. En het werk?
A. Dat is niet zwaarder.
5040. V. Vondt gij dan het andere werk lichter?
A. Ja, het was wel lichter, maar het was warm en gaf meer stof, want als ik ‘s middags voor mijn eten kwam, had ik zoogezegd geen trek, van de stof.
5041. V. Als gevolg van het hoesten?
A. Van het hoesten en zoo.
5042. V. En nu werkt gij in de open fabriek ?
A. Jawel, maar nog in het beenzwart.
5043. V. Ja, gij werkt er mede, maar gij zit niet in de branderij?
A. Neen, het stuift zoo erg niet.
5044. V. Zijn er jongens bij u in de fabriek ?
A. Jawel.
5045. V. Hoeveel?
A. In de branderij 12, vroeger waren er 32, maar nu in de werkerij anders; doordat wij andere fornuizen gekregen hebben, kon mijnheer het met minder jongens af.
5046. V. In die beenzwartbranderij alleen 32 jongens ?
A. Vroeger, ja; in elke ploeg waren 16 jongens.
5047. V. Hoe oud waren die?
A. 15, 16, 17, 18 jaar.
5048. V. Komen die gelijk met ulieden op?
A. Ja.
5049. V. Dezelfde uren over dag en des nachts?
A. Ja.
5050. V. En thans zijn er minder jongens?
A. 12 of 14.
5051. V. Hebben die dezelfde werkuren?
A. Ja, zij komen des avonds om 5 uur en gaan den volgenden morgen om 7 uur naar huis. Wij komen een uur later, maar gaan ook eerst om 8 uur ’s morgens naar huis. Wanneer er echter in het pakhuis niet veel werk is, dan mogen wij wel eens een half uur of een uur vroeger naar huis.
5052. V. Wordt gij per week of per uur betaald?
A. Per week.
5053. V. Dus wanneer de patroon u een uur vrij af geeft, dan is dat winst?
A. Ja.
5054. V. Hoeveel verdient ge per week ? A. f 9.
5055 V. En gij, Blomberg ?
A. Getuige BLOMBERG: f 11 per week.
5056. V. Getuige Van Dam, wat verdienen de jongens bij u op de fabriek?
A. f 5, f 5,50, f 6 tot f 9 toe.
5057. V. Blomberg, kunnen de jongens het nog al goed uithouden ?
A. Getuige BLOMBERG: Wat het werken betreft zeer wel. Het zit voornamelijk in de warmte.
5058. V. Warm kan het er dus zijn ?
3; A. Ja, het is eene fabriek.
I5059. V. Dus daaraan valt niet veel te veranderen?
A. Ik zal niet zeggen dat er geene werkplaatsen zijn waaraan niets in dit opzicht te veranderen is, maar als eene fabriek eenmaal in een vast bestek ligt opgesloten dan is er niet veel te veranderen.
5061. V. Hoe krijgt men daar versche lucht?
A. Bij mij op de werkplaats heeft men vrije lucht genoeg. Het hangt natuurlijk veel van de richting van den wind af.
5062. V. Maar waar heeft men dan minder frissche lucht?
A. Op de droogkamer.
5063. V. Natuurlijk, anders zou het geen droogkamer zijn. Maar moeten de jongens daar ook werken?
A. Neen, die hebben daar niet noodig.
5064. V. Welk werk doen de jongens?
A.Zij werken in het beenzwart en in de centrifugaalwerkplaats waar de suiker in kleine zakken geschept wordt, die zij dan een klein eindje ver moeten dragen
5065. V. Wat doen de jongens in het beenzwart?
A. Het beenzwart branden en dragen.
5066. V. Dat is het kwaadste werk?
A. Ja, het is het warmste ook.
5068. V. Worden de jongons die in het beenzwart werken, wel eens omgewisseld met andere jongens?
A. Neen, dat geschiedt nooit. Er zijn wel nacht- en dagploegen, maar de jongen blijft bij dezelfde ploeg tot hij hoogerop komt en meer verdient. Dan wordt hij te gelijk verplaatst naar eene afdeeling.
5069. V. Dus het werken in beenzwart wordt niet het best betaald?
A. Zeker niet; want het werk geschiedt geheel door jongens met uitzondering van den brander zelf.
5171. V. Getuige Van Dam, zijt gij in het beenzwart werkzaam geweest?
A. Getuige VAN DAM: Ja, mijnheer.
5071. V. Hebt gij ook opgemerkt dat het altijd, behoudens de verwisseling tusschen dag- en nachtploegen, altijd dezelfde jongens waren die in het beenzwart werken?
A. Ja, mijnheer.
5072. V. Kunnen zij het werk uithouden?
A. Ja, dat ging wel. Wel hadden zij natuurlijk last van het stof. Wanneer de jongens een jaar of wat bij het beenzwart geweest zijn, worden zij verplaatst; zij krijgen dan een halven gulden of een gulden meer. Zoo ben ik van het beenzwart naar het smeltwerk verplaatst.
5073. V. Het kwaadste is dus bij de beenzwartbranderij het stof? Gelooft gij dat daar iets aan te veranderen zou zijn?
A. Neen, want als men goed wil werken moet het goed droogwezen, en als het droog is stoft het. Het wordt opgevoerd met Jacobsladders.
5074. V. Zijn die Jacobsladders open
A. Neen, zij loopen in een koker, maar toch gaat er het stof van op.
5075. V. Dat is dus nu eenmaal niet te veranderen?
A. Neen.
5076. V. Ik heb u nog eene vraag te doen, maar gij zult het immers niet mooier of leelijker maken dan het is?
A. Ik kom hier om de waarheid te spreken.
5077. V. Hebt ge het dan in de beenzwartbranderij wel eens zoo erg gehad dat ge het niet uit kondt houden?
A. In den winter ging het nog al, maar in den zomer heb ik het gehad, dat ik het geen twee minuten uit kon houden. Ik moest boven op de fornuizen werken. Dan liep ik, met klompen aan, op een baksteenen vloer, die wit werd van het gloeien. Op dien vloer lag het zwart uitgespreid, en er liepen pijpen door waar het zwart inging. Om de 40 minuten zakte het zwart door de verhitting en dan schepte men er weder droog zwart in. Als die pijp open ging dan gevoelde men eene ontzettende hitte. Ik was daar met een man. Elke man had een jongen bij zich. Die man verdiende f 9, maar door het uitdeelen van dividend werd dit met f 1,50 verhoogd. Maar de jongen kreeg niets meer.
5078. V. Dat was ongetwijfeld zwaar werk, maar was daaraan wat te veranderen?
A. Neen, alleen dit, dat de man, de zogenaamde bakbaas, en de jongen hetzelfde werk deden. Dat wist de patroon niet. En had hij dit geweten, dan zou dit stellig veranderd zijn.
5084. V. Zijn er die het lang in de beenzwartbranderij uithouden?
A. Ik ben er zelf 3 jaar geweest.
5085. V. Zijt gij er vandaan gegaan, omdat gij hooger loon kondt verdienen?
A. Ja.
5086.  V. Maar niet omdat gij het er niet kondt uithouden?
A. Dat niet.
5089. V. Hebt gij ook een ziekenfonds, in de suikerraffinaderij?
A. Neen.
5090. V. Wat krijgt gij als er u iets overkomt?
A. De eerste week niets, de tweede week f 2,50, de derde week naar het den fabrikant goeddunkt.
5091. V. Is dat ook bij u zoo, Van Dam?
A. De jongens krijgen niets als zij ziek zijn, maar voor de volwassenen die zekeren tijd aan de fabriek zijn geweest, wordt wat gedaan.
5092. V. Wordt men oud in uwe fabriek?
A. Ja.
5093. V. Dus niet als in glasblazerijen, waar het werk den werkman soms vroeg doet sterven of ziek doet worden. Zijn er wel oudjes?
A. Ja, mannen van 60 en 65 jaar, die nog altijd werken.
5094. V. Maar zij worden er toch in de verdiensten gehouden?
A. Ja, maar zij krijgen minder loon. De menschen die oud beginnen te worden en op zolder werken hebben f 10,50. Worden zij wat ouder, dan krijgen zij een plaatsje in de zifterij, dat geeft f 8,50, en dat is een werk dat zij best kunnen doen.
5095. V. Weet gij ook dat er zijn die gepensionneerd zijn, menschen die niets meer doen en toch geld ontvangen?
A. Ja, ik weet van iemand, den ouden Rozendaal.
5096. V. En gij Blomberg, weet gij ook van zoo iemand?
A. Getuige BLOMBERG: Ja, er is er nog een, een zekere Bosch, die reeds drie of vier jaar f 2,50 pensioen in de week onvangt.
5097. De Voorzitter: Uw verhoor is afgeloopen.
      F. Blomberg.
      B. A. Van Dam.

trefwoorden verbergen

arbeidsenquete
arbeidsomstandigheden
werkomstandigheden
suikerraffinaderij
fabrieken
getuigen
Hollandsche Suikerraffinaderij

hulpvragen verbergen

  • Wat is je indruk. Zorgt de directie goed voor de arbeiders? Vinden Blomberg en Van Dam dat ook?

  • Hoeveel uren moeten de arbeiders werken?

  • Geeft de bron informatie over voorzieningen zoals bij ziekte of ouderdom?

  • Welke informatie geeft de bron over kinderarbeid?

  • Zijn er verschillen tussen de arbeidsvoorwaarden voor kinderen en volwassen arbeiders?

  • Vergelijk het loon met het loon van de leerlingnaaister. Wie wordt het best betaald?

toelichting verbergen

In 1887 werd er door een Parlementaire Enquetecommissie een enquête gehouden om de toestand in de fabrieken te beschrijven. Zowel arbeiders als fabrikanten kwamen aan het woord. Op vrijdag 14 januari 1887 werden de arbeiders Frederik Blomberg en Bernardus Alex van Dam verhoord. De heer Blomberg is 40 jaar. Hij werkt al 15 jaar bij de suikerraffinaderij aan de smeltpan. De heer Van Dam is 23 jaar oud. Hij werkt vanaf zijn achttiende bij de suikerraffinaderij. De eerste jaren bij de beenzwartbranderij en daarna bij de filtrage.

De oorspronkelijke tekst van de enquete is in 'Een kwaad leven' volledig gereproduceerd. Jacques Giele heeft daarbij een toelichting geschreven.