home > thema's > werken > fabrieken > beeldbronnen terug
<h1>Naaisters in atelier</h1>
help toelichting hulpvragen trefwoorden
Vergroot


Titel:Beroepen en Bedrijven/Textielnijverheid
Maker:Onbekende fotograaf
Datering:circa 1900
Inventarisnummer:Stadsarchief Amsterdam - V.B.2.1/D 22426
Je aantekeningenPrinten
uitleg verbergen
  • klik op de knop met de + om de toelichting te lezen

  • klik op de knop met het ? om hulpvragen te lezen

  • klik op de knop met a-z om trefwoorden op te roepen waarmee je naar andere bronnen kunt

  • kijk in het gele vak onderin voor de basisgegevens

  • klik op de knop met de pen rechtsonder om een notitie te plaatsen

  • klik op de knop met de printer rechtsonder om de afbeelding en gegevens te printen

transcriptie verbergen

trefwoorden verbergen

arbeidsomstandigheden
werkomstandigheden
naaisters
confectieatelier
confectie-industrie

hulpvragen verbergen

  • Wat voor soort naaimachines gebruiken de naaisters?

  • Geeft de foto informatie over de ruimte waarin de naaisters werken?

  • Denk je dat de naaisters voldoende ruimte hebben om te kunnen werken?

  • Is er voldoende licht om de werkzaamheden te verrichten?

  • Vergelijk deze foto met het stukje in de Naaistersbode van 15 april 1900. Vind je op de foto de werkomstandigheden terug waar de schrijfster van het over heeft?

  • Vergelijk deze bron met meisjes voor hele/halve dagen. Wie heeft het meeste aanzien denk je: de naaister of de dienstbode? En waarom?

toelichting verbergen

Rond 1850 was er nog nauwelijks sprake van een kledingindustrie. Het maken van kleding ging voornamelijk op bestelling bij een kleermaker die thuis of bij een patroon werkte. Sinds 1885 was er in Amsterdam een verschuiving merkbaar van thuiswerk naar atelierarbeid. Overal verrezen ateliers met werknemers. Deze ateliers waren doorgaans heel klein en soms niet meer dan een achterkamer. Er waren een aantal uitzonderingen. De nieuwe grote modemagazijnen als de Bonnetterie, Gerzon en Hirsch hadden grote ateliers. Hirsch had rond 1911 maar liefst 500 meisjes in dienst. De werkomstandigheden waren, ook in de grote ateliers, niet goed te noemen.
De burgerij maakte zich zorgen over de confectieateliers. Zij zagen de ateliers als plaatsen vol zedenverwildering. De meisjes leerden daar juist het tegenovergestelde van wat zij nodig hadden voor de mooie toekomst die hun te wachten stond, namelijk het huwelijk.